Auteur: Maestro Michel

  • Project: Inner World – Volume One

    Project: Inner World – Volume One

    “Welkom in de wereld van de eeuwige amateur.”

    Toen ik “Het Grote Klusboek” van Sjaak Vane opensloeg om van één van mijn linkerhanden af te komen, had ik niet verwacht dit pareltje van een uitspraak te vinden. Het raakte aan iets waar ik mij al langer mee bezig houd: hoe ga ik weer een gezonde relatie aan met mijn creativiteit?

    Ik heb flink wat ‘ge-doe-het-zelft’ op het gebied van muziek en teksten. Toen ik in 2016 met mijn studie Muziek & Technologie startte aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU) had ik weinig tot geen ervaring met orkestratie of orkesten in het algemeen. Toch werd dat de richting waar ik mij volledig op ging storten. Ik vond het geweldig, en het maken van muziek voelde als een leuke ontdekkingsreis. Ik kreeg les van docenten die mij inspireerden en had ook een maatje op de opleiding, Martijn, die mij zowel inspireerde als uitdaagde met zijn virtuositeit. We deden veel van de studieopdrachten samen.

    Wel begon er langzamerhand iets te knagen. Hoe verder ik in de opleiding kwam, hoe concreter mijn beeld werd van het werkveld. En waar eerst de focus lag op ‘het ontdekken’, kwam de focus nu meer en meer te liggen op ‘het achterlopen’. Ja, ik was ondertussen gegroeid in het schrijven van orkestrale muziek, maar ik begon ook steeds meer te letten op het talent van anderen. ‘Creativiteit’ begon te voelen als een wedstrijd. Ik moest mezelf binnenkort toch echt gaan onderhouden met mijn creativiteit, dus ik moest wel iets te bieden hebben. Iets unieks, of iets dat beter zou zijn dan wat er al was. Want waarom zou iemand jou er anders voor betalen?

    Ik begon het innerlijke vuur waarmee ik de opleiding was gestart dwangmatig op te stoken. De gezonde ambitie van eerst, sloeg om naar een ongecontroleerd vuur. Dat leidde tot zelfkritiek, perfectionisme en uiteindelijk, jaren later, tot een volledige stilstand van mijn creatieve energie. Het vuur had die plek in mij, waar ik oordeelloos creatief kon zijn, volledig platgebrand.

    Het maken van orkestrale muziek begon vanaf dat punt een gevecht tegen de bierkaai te worden, waarbij ik mezelf onhaalbare doelen stelde binnen een onrealistisch tijdspad. En als ik dan iets uit mijn vingers kreeg, dan vond ik achteraf ook dat het eigenlijk beter had gemoeten. En sneller. Als we het hebben over de wortel en de stok, dan sloeg ik mezelf vooral met de stok. En eigenlijk ook met de wortel.

    In 2024 ging ik voor het eerst sinds mijn duikopleiding in 2015 weer eens op bezoek bij mijn oom op Bonaire. Hij zag direct wat ik toen nog niet wilde zien: van de energieke en avontuurlijke Michel van toen, was nu nog slechts een schim over. Het was enorm confronterend, maar soms is het nodig om van iemand anders te horen wat je zelf allang weet.

    Na deze reis begon een intens traject van zelfonderzoek, het stopzetten van allerlei processen en toekomstbeelden, en het opbouwen van een nieuwe manier van zijn en doen. Onderdeel daarvan werd ‘ruimte maken’. Ruimte maken om creativiteit te laten stromen, om te laten ontstaan wat er mag ontstaan. Niet omdat ik voel dat ik achterloop en iets te bewijzen heb, maar omdat ik voel dat ik iets wil vertellen.

    In 2025 betekende ‘ruimte maken’ voor mij dat ik continu in de blokkade schoot. Mijn systeem verlangde rust, maar ik bleef gefocust op ‘waarom krijg ik niks uit mijn vingers?!’ Alle ruimte die ontstond vulde ik op met zelfafwijzing. En zelfafwijzing is als purschuim: zodra je ermee begint rolt het aan als een vloedgolf en zet het direct enorm uit. Ik creëerde een luchtdichte afsluiting waar mijn creativiteit in gevangen zat.

    Wat ik in dat jaar ook leerde, was loslaten. Loslaten van vastgeroeste overtuigingen, loslaten van mijn krampachtige houding bij het maken van muziek, en vervolgens ook weer loslaten dat ik eerst van alles moet loslaten voordat ik verder kan. Dat laatste was mijn systeem, die dacht: ‘zo, dat is lekker veilig zeg, zolang jij je richt op loslaten ga je nog even niks nieuws maken. Kan het ook niet fout gaan!’

    Ik heb anderhalf jaar aan de weg getimmerd om te kunnen zeggen dat het, met vallen en opstaan, lukt om het gevoel van ‘spelen’ weer te vinden bij het maken van muziek en teksten. Ik start nu met projecten omdat ik voel dat ik iets te vertellen heb en daar ook zin in heb. Of omdat ik een vraag heb en nieuwsgierig ben naar het antwoord. Het gaat me niet langer om ‘groot worden’ of ‘de beste zijn’, maar juist om de weg, het maken, het ‘zijn’ met de kunst. Creatief bezig zijn is voor mezelf net zo goed een verwerkings- en helingsproces, als een uitlaatklep.

    Bij de release van ‘Lief Dagboek’ merkte ik dat ik trots en blij was toen het online stond, en dat het toen al afgerond voelde. Natuurlijk was ik ook benieuwd wat anderen ervan vonden, want kunst en identiteit hebben bij mij altijd de neiging gehad om te versmelten met elkaar. Maar toch voelde het oordeel van anderen niet langer als een blokkade om mijn werk in de wereld te zetten.

    Wat ik óók merkte toen het werk online verscheen, was dat er opnieuw ruimte ontstond. Én ik merkte dat ik dat innerlijke vuurtje weer dwangmatig begon op te stoken om die ruimte op te vullen. Het verschil met eerder? Dit keer had ik het direct door. Ik wist daardoor wat me te doen stond: niet stoken. Ruimte geven. Soms zachtjes blazen. En de busjes zelfafwijzend purschuim die klaarstonden milieuvriendelijk af laten voeren. Dus dat betekende: deze maand geen inspiratiemail, geen blog, geen muziek. En zitten met de weerstand die dat opriep.

    Nu we een aantal weken verder zijn voel ik dat mijn systeem er klaar voor is om verder te werken. Ik schrijf weer met plezier en heb ook zin om mijn komende release af te ronden: ‘Inner World – Volume One’. Een danceplaat waar ik sinds april aan werk.

    De mix wordt daarbij de grootste uitdaging. Waar ik bij ‘Lief Dagboek’ weg kon komen met de ‘losse pols’-benadering, zie ik die optie niet voor deze plaat. Dancemuziek staat of valt voor mij met de mix van de muziek. Maar ik ga ermee aan de slag zoals het een echte doe-het-zelver betaamd: ik blijf nieuwsgierig, heb plezier en sta open om te leren.

    Bedankt Sjaak Vane, dat je mij de weg wees van de eeuwige amateur.

  • Project: Lief Dagboek…

    Project: Lief Dagboek…

    Over deze EP

    We hebben een samenleving gecreëerd waarin we vaker verbonden zijn met een zendmast, dan met een medemens. De mensheid rent zichzelf voorbij, steeds op zoek naar een volgende dopamineshot. En ik moet bekennen: wat je ziet, ben je zelf, want ik kwam erachter dat ik mezelf ook jaren voorbij ben gerend. Vooruitgedreven door angst, stress en zelfafwijzing.

    ‘Lief Dagboek’ is een hoofdstuk uit mijn leven, waarin ik terug ga naar de basis. Ik druk op de pauzeknop, kijk om me heen en schrijf op wat ik ervaar. Het is enerzijds een hoofdstuk met veel frustraties, angsten en verdriet, maar tegelijkertijd ook het hoofdstuk waarin ik opnieuw in verbinding raak met mijn creatieve impuls, en mijn zelfvertrouwen herontdek. Oftewel: terug naar de basis, waar de mind niet langer de baas is.

    Met deze EP laat ik je door mijn ogen naar de samenleving kijken. Naar de vraagtekens die ik zet bij de soms bizarre manier waarop we omgaan met onszelf, en met elkaar. Angst, frustratie, verwondering… het komt allemaal voorbij. Verpakt in humor.

    Het compositieproces

    “Ik… ben een fietsenrek.” Uit het niets verschijnt deze zin in mijn hoofd. Op de fiets onderweg naar huis, dat wel. Wat ik ermee moet? Ik heb nog geen idee. Een tweede zin dient zich aan: “Fietsen worden in mij op hun plek gezet.” Ik gniffel. Alsof er een cabaretier in mijn hoofd woont, die af en toe op het podium in de spotlights gaat staan, zijn keel schraapt, en voor mij persoonlijk, als enige publiek, iets grappigs eruit floept. En zo snel als ‘ie verschijnt, is ‘ie ook weer verdwenen.

    Ik besluit om te keren en naar het dorp te fietsen om de tekst verder uit te schrijven, buiten op een terrasje. Het is een zonnige dag in maart. En die cabaretier in mijn hoofd stond blijkbaar te popelen, want de volzinnen komen sneller dan ik ze kan neerpennen. Soms begint het vanuit een rijmwoord waarin de kiem van de boodschap verstopt zit, en soms komt de zin als geheel in me op. Op andere momenten verschijnt alleen de eerste helft van de zin en heb ik nog geen idee hoe dat aan de voorgaande zin geknoopt moet worden, maar schrijf ik ‘m toch op. En dan laat ik me verrassen door een wending die het cirkeltje weer rond maakt. Binnen een halfuur staar ik vol ongeloof naar wat eerst nog een blanco notitie was, en voel: dit is af.

    Eenmaal thuisgekomen voel ik de drang om muziek te schrijven voor deze tekst. Het voelt niet als willen, maar als een moeten waar ik, gek genoeg, zin in heb. Alsof de muziek gecreëerd wil worden, en de rest van mijn planning maar even moet wijken.

    Ik trek een sprintje naar mijn piano, begin te spelen en te zingen en vrijwel direct vallen de akkoorden en de tekst op intuïtieve wijze samen. Het voelt als een magisch, tijdloos moment. De moeiteloosheid van het proces doet me denken aan het spelen, bedenken en creëren van toen ik nog een kind was, waarin er steeds maar nieuwe ideeën in me opkwamen, en ik daar volop in mee kon gaan zonder er met mijn hoofd tussen te gaan zitten.

    Ik neem de piano en de zang op in Nuendo en voor de avond valt ligt er een demo klaar. Ik weet nog niet wat ik ermee moet, want ik kan me niet herinneren dat ik al eerder zo’n kleinkunst-achtig lied heb gemaakt. De tekst raakt een maatschappelijk relevant thema (een samenleving waarin veel mensen onder het juk van stress leven en vooral bezig zijn met zichzelf, waardoor ze geen oog meer hebben voor een ander), dus ik besluit de demo diezelfde dag nog op te sturen naar Freek Donkers, een bevriende regisseur die wel raad weet met humor en maatschappelijk relevante teksten.

    We wisselen wat ideeën uit over de praktische vorm van de uiting, en het lied komt zelfs op tafel te liggen bij de redactie van een programma van de NTR, met de optie dat er een animatie bij kon worden gemaakt, en dat het op die manier de wereld in zou kunnen. Al snel sneuvelt dat idee, want het lied wordt uiteindelijk niet geselecteerd om uitgewerkt te worden. Hoewel de schrijvers en redactie het wel erg grappig vonden. Een deel van mij baalt, maar een ander deel vindt het ook een spannend en leuk idee om deze muziek op zichzelf uit te brengen. De eerste song waarbij ik alles zelf heb gedaan, van idee tot release. Gesterkt door deze positieve reactie besluit ik daar voor te gaan.

    Na deze eerste song volgden meer songs. Het begon steeds met een zin die spontaan in mij opkwam. En steeds besloot ik de eerste gelegenheid ruimte te maken om de tekst verder uit te werken. En liep ik vast? Dan pakte ik het geweldige “Nederlands Rijmwoordenboek” van Jaap Bakker erbij, dat ik al een tijdje had liggen. Dat werkte als een tierelier. Maar hoe dichter ik kwam bij voltooiing, hoe meer ik aan mezelf begon te twijfelen.

    Het productie- en distributieproces

    Het is juni, en ik vind het tijd om de muziek uit te brengen. Na wat rondzwervingen op zoek naar een muziekdistributeur tipt mijn bevriende collega in het vak, Tom de Wit, mij over Kamapro. Hij was zelf naar deze Duitse partij overgestapt voor zijn distributie en raadt het mij ook aan. Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk en ik vind het bovendien prettig dat het een partij is die dicht bij huis zit, dus ik meld me daar aan. En dan slaat de twijfel toe.

    “Klinkt de muziek wel goed genoeg?”, “Moet ik niet een professional laten kijken naar de mixing en mastering?”. Het blijft door mijn hoofd spoken. Ik ben de enige die nu bepaal wanneer mijn muziek een podium krijgt, maar de macht die ik mezelf daarmee heb gegeven werkt blokkerend. Ik begin aan alles te twijfelen. Maar er is geen budget om werk uit te besteden, dus ik ben op mezelf aangewezen. Op mijn innerlijke podium, waar eerst de cabaretier nog vrolijk zijn ideeën met mij deelde, zwaait nu een botte en onredelijke regisseur met de scepter. Bang dat hij straks verantwoordelijk wordt gehouden voor het ‘prutswerk’ van de rest van de crew.

    De cabaretier durft niet meer aan te geven of hij de ideeën leuk vindt, en of hij erachter staat wat er met zijn ideeën gebeurt. Hij durft zelfs het podium niet meer op. En tegelijkertijd wordt de regisseur ongeduldig. Ik snap de cabaretier wel. De angst dat je maar één kans krijgt, en je alles in één keer goed moet doen? Man, dat werkt verlammend.

    De regisseur in mij begint meer en meer gefrustreerd te raken, en heeft ondertussen met zijn getier, naast de cabaretier, ook de vakmensen van de techniek weggejaagd. “Moet ik dan ook álles zelf doen?!”, verzucht hij. En dán begint het gedonder. In plaats van een stapje terug te doen en zijn excuses aan te bieden aan de crew, begint hij zelf aan alle knoppen te draaien, in een verwoede poging om er alsnog het beste van te maken. Knoppen waar hij veel te weinig verstand van heeft. Het geheel begint slechter en slechter te klinken, tot de regisseur moegestreden is en het bijltje erbij neergooit.

    En zo voel ik me op dat moment ook, starend naar het digitale mixpaneel in Nuendo, terwijl ik de ene na de andere plug-in preset uittest, en aan knopjes draai waarvan ik niet eens weet wat ze zouden moeten doen. Moegestreden. Zo moeiteloos als het schrijven was verlopen, zo frustrerend en hobbelig is de weg naar het eindproduct. En tegelijkertijd voel ik de tijd wegtikken, omdat de muziek nú maatschappelijk relevant is. Wie weet hoe relevant ze nog zijn over een maand, een half jaar, een jaar…? En of ik dan nog de noodzaak en het enthousiasme voel om ze uit te brengen? De gedachte helpt me niet verder.

    Maar… de aanhouder wint. Door mijn gelimiteerde kennis op het gebied van muziekproductie ben ik genoodzaakt verder te gaan op gehoor. Ik houd soortgelijke muziek ernaast, en begin op gehoor aan knoppen te draaien tot het ergens naar klinkt. Met een limiter op de master die het volume van de muziek beperkt, zodat ik mijn oren niet opblaas als ik per ongeluk een volumeknop te wild opendraai.

    Verdient het productieproces een schoonheidsprijs? Nee. Maar de muziek is nu wel aangemeld bij de distributeur en verschijnt binnenkort online. De crew blij omdat ze even mochten spelen op gehoor en gevoel, de regisseur blij dat het online staat.

    Ik blij dat de rust in mijn innerlijke theater is wedergekeerd.

  • Project: Impostor Syndrome

    Project: Impostor Syndrome

    Het compositieproces

    Zondagmiddag 16 november 2025, 11:00 uur ’s ochtends. De deadline voor het aanleveren van de partituur en partijen is vanavond om één voor twaalf. Afzeggen voor de opnamesessie van 1 december kan niet meer, die keuze had ik in dat geval weken eerder moeten maken. Het strijkersensemble ‘Dutch String Collective‘ rekent er nu op dat ze mijn muziek gaan spelen in dat halfuur. Bovendien heeft de BCMM (Beroepsvereniging Componisten MultiMedia) er veel tijd en werk in gestoken om deze opnamesessie voor ons te organiseren.

    “Hoe heb ik het weer zover laten komen…,” zeg ik zuchtend tegen mezelf, terwijl ik mijn notatiesoftware opstart. Ik wist al maanden van de opleverdatum, maar ik bleef het starten uitstellen, uit angst dat ik het niet zou kunnen. Starend naar het opstartscherm van mijn muzieknotatiesoftware Dorico kan ik wel een beetje om mezelf lachen, zeker aangezien ik er zelf bij was toen ik de titel voor het project doorgaf bij de aanmelding in september.

    Gewapend met een geurende kop koffie open ik het project met de titel: ‘impostor-syndrome_v017_LOCKED-v03_final-tweaks_v87’. De toevoegingen achter de eerste twee woorden zijn een niet-zo-subtiele verwijzing naar de neiging van makers om materiaal constant te blijven aanpassen, ook als het al driehonderd versies eerder ‘af’ was. Een ‘running gag’ onder componisten die schrijven voor beeld, waar het regelmatig voorkomt dat opdrachtgevers aanpassingen blijven maken in hun werk, ook al hadden ze al aangegeven dat er geen aanpassingen meer zouden volgen (vandaar de term ‘LOCKED’).

    Rood aanlopend tik ik er nog ‘_002’ achter, om bij te houden welke versie ik aan werk. Joke’s on me.

    Ik druk op ‘play’ en luister de eerste vier maten van de muziek terug, die ik de dag ervoor al had gecomponeerd. Ruwweg een seconde of elf. Ik had mij laten inspireren door de subtiele maar slepende harmonische wendingen waar de Britse componist Ralph Vaughan Williams zijn werk ‘Fantasia on a Theme by Thomas Tallis‘ mee opent. “Mooi,” dacht ik, “maar met vier maten sta ik wel héél snel weer buiten.” Er moest dus nog iets bij. Vanaf dat punt ging ik verder op gevoel. Ik denk dat er nog één en ander was blijven hangen van de klassiek-geörienteerde pianolessen die ik in mijn tienerjaren had gevolgd, want het deel daarna kwam gelukkig vrij intuïtief uit mijn vingers.

    Ik kijk op de klok. Alweer 15:00 uur! Ik voel dat ik even afstand moet nemen van het werk, dus ik zoek op mijn telefoon een filmpje op van een digirent die op soepele wijze een zes-achtste maatsoort slaat, de maatsoort waar ik voor had gekozen. Elke maat beweegt de dirigent de stok in de lucht van punt één naar punt zes. Niet de gemakkelijkste maatsoort om zonder ervaring mee te beginnen. Maar: het tempo is laag, zestig slagen per minuut, dus het is te doen. Ik speel de muziek een aantal keer af terwijl ik de slag oefen als een serieuze dirigent, met gefronste wenkbrauw en samengeperste lippen.

    Ik leg mijn telefoon weer weg en staar opnieuw naar het notenpapier. Ik heb nu toch al vier pagina’s aan materiaal, ongeveer anderhalve minuut aan opname. Maar er mist nog iets. Een climax, een afronding. Ik pak Spotify erbij en klik door mijn playlists om inspiratie op te doen. Ik blijf hangen bij een compositie van één van mijn grote inspiraties, Ludovico Einaudi: Primavera. Ik had hem die compositie meer dan tien jaar geleden live horen uitvoeren met het Amsterdam Sinfonietta. Ik luister, en zie mezelf weer in die zaal, met tranen rollend over mijn wangen. Dit moet het zijn. Het laatste deel wordt een ode aan dat moment.

    Ik begin met schrijven en de noten volgen vanzelf. Binnen een halfuur is het stuk klaar. Tweeëneenhalve minuut lang nu, dat is prima. Ik stuur het materiaal op en sluit af.

    De voorbereidingen en de opnamedag

    Het is vrijdagavond, 27 november. Maandag vindt de opname plaats, en ik kruip nog een laatste keer in de rol van dirigent om de muziek door te lopen. De laatste keer dat ik had geoefend was alweer een week geleden. Terwijl ik de beweging van mijn vingers door de lucht volg, bedenk ik mij plots iets. Heeft een dirigent, zeker de beginnende, niet vaak een dirigeerstok…?

    Ik schrik op en begin te zoeken. Gelukkig vind ik op Thomann een dirigeerstok op voorraad, met goede recensies, die ook nog binnen 24 uur geleverd kan worden. Opgelucht druk ik op bestellen en de dirigeerstok wordt net op tijd afgeleverd. De ontvangst doet wel een beetje af aan het romantische beeld dat ik in mijn hoofd had van het moment waarop ik als dirigent mijn eerste dirigeerstok zou ontmoeten, dat ik het beeld toedichtte van het moment in Harry Potter waarin de toverstok de uitverkoren tovenaar uitkiest. Maar ach. Misschien gebeurde dat nu ook wel, maar dan achter de schermen in het magazijn. Ik houd het mezelf graag voor.

    Die maandag is het zover. Om half twee precies open ik de deur van Groenland Studio’s in Hilversum. Om twee uur start mijn sessie, dus ik heb nog even de tijd om een paar keer te repeteren. Mét dirigeerstok, dit keer. Ik zoek een rustig plekje op en dirigeer nog een keer mee met de demo-muziek. Dan is het moment daar. Ik loop de studio binnen en zet mijn partituur op het statief. Ik werp een blik in de ruimte om te kijken of iemand zich achter de oren krabt bij het zien van de partij. Dat lijkt niet het geval, mooi. Ik had er dan ook flink wat tijd ingestoken om ervoor te zorgen dat alles zo duidelijk mogelijk was genoteerd.

    Verwachtingsvol kijkt het ensemble mij aan. Ik trek wederom mijn ‘ik-ben-een-serieuze-dirigent’-gezicht, adem diep in, zet de koptelefoon met clicktrack op mijn oren, en zet in. Het ensemble begint te spelen, maar… veel sneller?! Het zweet breekt me uit. Mijn amygdala probeert er nog het beste van te maken, en zet mijn lichaam in overdrive om de zes-achtste maat in hoger tempo mee te slaan. Het resultaat? Ik zwiep nog wat met de dirigeerstok, maar het tempo was zo hoog dat het aangeven van de zes-achtste maat, zoals ik dat had geoefend, er meer op leek alsof ik in paniek een aanval aan het afweren was van Voldemort en consorten.

    “Stop!” roep ik. De klank van het ensemble dooft uit. “Dit bedoelde ik niet.” Maar… wat was er misgegaan?

    “Bedoelde je kwartpunt tempo, in plaats van kwart?” vraagt Marieke de Bruijn, de oprichtster en leider van het ensemble. Ik krab mezelf achter de oren. Ik had inderdaad het tempo op een verkeerde manier genoteerd, maar dat niet gemerkt omdat de notatiesoftware het zo afspeelde zoals ik het had bedoeld. Goed om te weten dat ik daar niet blindelings op kan vertrouwen. “Ga jij anders maar naar de regieruimte om het juiste tempo te regelen, dan spelen wij wel op clicktrack.”

    Ik zag mijn eerste dirigeerervaring zo voor mijn neus verdwijnen. Beteuterd liep ik de studio uit richting de regie. Achteraf gezien had het echter niet beter kunnen lopen. Terwijl het ensemble speelde op clicktrack, kon ik volgen hoe Laurens Goedhart en Hans Ravestein op zeer bevlogen wijze de sessie begeleidden. Binnen een minuut of tien stond de muziek op de plaat, en vroeg Laurens mij wat mijn wens was voor het overige kwartier. “Ik zou het stuk alsnog wel een keer willen dirigeren,” stelde ik voor. Dat kon.

    Ik liep terug naar de opnameruimte en ging weer staan. Ik deed de aanzet en de muziek vloeide precies zoals de bedoeling was. Ik voelde mezelf versmelten met de muziek, en ervoer de magie van de uitwisseling van emoties tussen de componist, het ensemble en de dirigent. Oké, het was voor spek en bonen, want de opname was al gemaakt, maar het was nog steeds een enorm bijzondere en leerzame ervaring. Ik had het er namelijk ook bij kunnen laten zitten, beschaamd door de manier waarop het was gelopen. En eerder had ik dat wellicht ook gedaan. Maar ik voelde dat het dit keer anders moest lopen.

    Achteraf kwam Marieke naar me toe, en complimenteerde me op de uitvoerbaarheid van het werk. Ik nam het compliment dankbaar in ontvangst. Achteraf kwam ik erachter dat zij jarenlang eerste viool heeft gespeeld in Amsterdam Sinfoniëtta. Wellicht dat zij ook heeft gespeeld bij het concert van Ludovico Einaudi, waar ik zo ontroerd door raakte. Of dat zo was of niet, maakt eigenlijk niet uit. Het maakte voor mij de cirkel rond.

    Mijn take-away? Dingen lopen zoals ze moeten lopen. Wees niet te hard voor jezelf en vertrouw erop dat je er hoe dan ook iets van leert. Dit soort ervaringen zijn geen obstakels, ze zijn juist het doel. Als je het mij vraagt, leer je om te gaan met impostor syndrome door het te ervaren en het te doorvoelen. Mocht jij schaamte voelen over soorgelijke ervaringen waarin jij je een ‘impostor’ voelde, en deze ervaringen daarom onder het tapijt schuiven, of ze zelfs ontwijken, zoals ik dat eerder ook deed, laat dit verhaal je dan motiveren om minder streng voor jezelf te zijn. Ervaar, zodat je kunt groeien, en deel jouw ervaringen zonder schaamte. Wie weet wie jij daarmee inspireert.

    Als ik te streng ben voor mezelf, hoor ik dat direct terug in mijn muziek. Die klinkt dan rigide en in het gareel. In het beste geval technisch in orde, maar hoe dan ook compleet berooft van inleving. Het zijn juist die momenten waarop ik mijn oordeel loslaat en in de flow raak, waarop ik muziek componeer die mij écht raakt. Waarvan ik voel: dit ben ik. Deel je dit, hoe kwetsbaar ook, dan open je een deurtje naar jouw ziel, en laat je iemand anders dat stukje van jouw ziel ervaren. En dat is iets dat niemand van een ander kan kopiëren.