Selecteer categorie:

Project: Impostor Syndrome

Leestijd:

7–10 minuten

Het compositieproces

Zondagmiddag 16 november 2025, 11:00 uur ’s ochtends. De deadline voor het aanleveren van de partituur en partijen is vanavond om één voor twaalf. Afzeggen voor de opnamesessie van 1 december kan niet meer, die keuze had ik in dat geval weken eerder moeten maken. Het strijkersensemble ‘Dutch String Collective‘ rekent er nu op dat ze mijn muziek gaan spelen in dat halfuur. Bovendien heeft de BCMM (Beroepsvereniging Componisten MultiMedia) er veel tijd en werk in gestoken om deze opnamesessie voor ons te organiseren.

“Hoe heb ik het weer zover laten komen…,” zeg ik zuchtend tegen mezelf, terwijl ik mijn notatiesoftware opstart. Ik wist al maanden van de opleverdatum, maar ik bleef het starten uitstellen, uit angst dat ik het niet zou kunnen. Starend naar het opstartscherm van mijn muzieknotatiesoftware Dorico kan ik wel een beetje om mezelf lachen, zeker aangezien ik er zelf bij was toen ik de titel voor het project doorgaf bij de aanmelding in september.

Gewapend met een geurende kop koffie open ik het project met de titel: ‘impostor-syndrome_v017_LOCKED-v03_final-tweaks_v87’. De toevoegingen achter de eerste twee woorden zijn een niet-zo-subtiele verwijzing naar de neiging van makers om materiaal constant te blijven aanpassen, ook als het al driehonderd versies eerder ‘af’ was. Een ‘running gag’ onder componisten die schrijven voor beeld, waar het regelmatig voorkomt dat opdrachtgevers aanpassingen blijven maken in hun werk, ook al hadden ze al aangegeven dat er geen aanpassingen meer zouden volgen (vandaar de term ‘LOCKED’).

Rood aanlopend tik ik er nog ‘_002’ achter, om bij te houden welke versie ik aan werk. Joke’s on me.

Ik druk op ‘play’ en luister de eerste vier maten van de muziek terug, die ik de dag ervoor al had gecomponeerd. Ruwweg een seconde of elf. Ik had mij laten inspireren door de subtiele maar slepende harmonische wendingen waar de Britse componist Ralph Vaughan Williams zijn werk ‘Fantasia on a Theme by Thomas Tallis‘ mee opent. “Mooi,” dacht ik, “maar met vier maten sta ik wel héél snel weer buiten.” Er moest dus nog iets bij. Vanaf dat punt ging ik verder op gevoel. Ik denk dat er nog één en ander was blijven hangen van de klassiek-geörienteerde pianolessen die ik in mijn tienerjaren had gevolgd, want het deel daarna kwam gelukkig vrij intuïtief uit mijn vingers.

Ik kijk op de klok. Alweer 15:00 uur! Ik voel dat ik even afstand moet nemen van het werk, dus ik zoek op mijn telefoon een filmpje op van een digirent die op soepele wijze een zes-achtste maatsoort slaat, de maatsoort waar ik voor had gekozen. Elke maat beweegt de dirigent de stok in de lucht van punt één naar punt zes. Niet de gemakkelijkste maatsoort om zonder ervaring mee te beginnen. Maar: het tempo is laag, zestig slagen per minuut, dus het is te doen. Ik speel de muziek een aantal keer af terwijl ik de slag oefen als een serieuze dirigent, met gefronste wenkbrauw en samengeperste lippen.

Ik leg mijn telefoon weer weg en staar opnieuw naar het notenpapier. Ik heb nu toch al vier pagina’s aan materiaal, ongeveer anderhalve minuut aan opname. Maar er mist nog iets. Een climax, een afronding. Ik pak Spotify erbij en klik door mijn playlists om inspiratie op te doen. Ik blijf hangen bij een compositie van één van mijn grote inspiraties, Ludovico Einaudi: Primavera. Ik had hem die compositie meer dan tien jaar geleden live horen uitvoeren met het Amsterdam Sinfonietta. Ik luister, en zie mezelf weer in die zaal, met tranen rollend over mijn wangen. Dit moet het zijn. Het laatste deel wordt een ode aan dat moment.

Ik begin met schrijven en de noten volgen vanzelf. Binnen een halfuur is het stuk klaar. Tweeëneenhalve minuut lang nu, dat is prima. Ik stuur het materiaal op en sluit af.

De voorbereidingen en de opnamedag

Het is vrijdagavond, 27 november. Maandag vindt de opname plaats, en ik kruip nog een laatste keer in de rol van dirigent om de muziek door te lopen. De laatste keer dat ik had geoefend was alweer een week geleden. Terwijl ik de beweging van mijn vingers door de lucht volg, bedenk ik mij plots iets. Heeft een dirigent, zeker de beginnende, niet vaak een dirigeerstok…?

Ik schrik op en begin te zoeken. Gelukkig vind ik op Thomann een dirigeerstok op voorraad, met goede recensies, die ook nog binnen 24 uur geleverd kan worden. Opgelucht druk ik op bestellen en de dirigeerstok wordt net op tijd afgeleverd. De ontvangst doet wel een beetje af aan het romantische beeld dat ik in mijn hoofd had van het moment waarop ik als dirigent mijn eerste dirigeerstok zou ontmoeten, dat ik het beeld toedichtte van het moment in Harry Potter waarin de toverstok de uitverkoren tovenaar uitkiest. Maar ach. Misschien gebeurde dat nu ook wel, maar dan achter de schermen in het magazijn. Ik houd het mezelf graag voor.

Die maandag is het zover. Om half twee precies open ik de deur van Groenland Studio’s in Hilversum. Om twee uur start mijn sessie, dus ik heb nog even de tijd om een paar keer te repeteren. Mét dirigeerstok, dit keer. Ik zoek een rustig plekje op en dirigeer nog een keer mee met de demo-muziek. Dan is het moment daar. Ik loop de studio binnen en zet mijn partituur op het statief. Ik werp een blik in de ruimte om te kijken of iemand zich achter de oren krabt bij het zien van de partij. Dat lijkt niet het geval, mooi. Ik had er dan ook flink wat tijd ingestoken om ervoor te zorgen dat alles zo duidelijk mogelijk was genoteerd.

Verwachtingsvol kijkt het ensemble mij aan. Ik trek wederom mijn ‘ik-ben-een-serieuze-dirigent’-gezicht, adem diep in, zet de koptelefoon met clicktrack op mijn oren, en zet in. Het ensemble begint te spelen, maar… veel sneller?! Het zweet breekt me uit. Mijn amygdala probeert er nog het beste van te maken, en zet mijn lichaam in overdrive om de zes-achtste maat in hoger tempo mee te slaan. Het resultaat? Ik zwiep nog wat met de dirigeerstok, maar het tempo was zo hoog dat het aangeven van de zes-achtste maat, zoals ik dat had geoefend, er meer op leek alsof ik in paniek een aanval aan het afweren was van Voldemort en consorten.

“Stop!” roep ik. De klank van het ensemble dooft uit. “Dit bedoelde ik niet.” Maar… wat was er misgegaan?

“Bedoelde je kwartpunt tempo, in plaats van kwart?” vraagt Marieke de Bruijn, de oprichtster en leider van het ensemble. Ik krab mezelf achter de oren. Ik had inderdaad het tempo op een verkeerde manier genoteerd, maar dat niet gemerkt omdat de notatiesoftware het zo afspeelde zoals ik het had bedoeld. Goed om te weten dat ik daar niet blindelings op kan vertrouwen. “Ga jij anders maar naar de regieruimte om het juiste tempo te regelen, dan spelen wij wel op clicktrack.”

Ik zag mijn eerste dirigeerervaring zo voor mijn neus verdwijnen. Beteuterd liep ik de studio uit richting de regie. Achteraf gezien had het echter niet beter kunnen lopen. Terwijl het ensemble speelde op clicktrack, kon ik volgen hoe Laurens Goedhart en Hans Ravestein op zeer bevlogen wijze de sessie begeleidden. Binnen een minuut of tien stond de muziek op de plaat, en vroeg Laurens mij wat mijn wens was voor het overige kwartier. “Ik zou het stuk alsnog wel een keer willen dirigeren,” stelde ik voor. Dat kon.

Ik liep terug naar de opnameruimte en ging weer staan. Ik deed de aanzet en de muziek vloeide precies zoals de bedoeling was. Ik voelde mezelf versmelten met de muziek, en ervoer de magie van de uitwisseling van emoties tussen de componist, het ensemble en de dirigent. Oké, het was voor spek en bonen, want de opname was al gemaakt, maar het was nog steeds een enorm bijzondere en leerzame ervaring. Ik had het er namelijk ook bij kunnen laten zitten, beschaamd door de manier waarop het was gelopen. En eerder had ik dat wellicht ook gedaan. Maar ik voelde dat het dit keer anders moest lopen.

Achteraf kwam Marieke naar me toe, en complimenteerde me op de uitvoerbaarheid van het werk. Ik nam het compliment dankbaar in ontvangst. Achteraf kwam ik erachter dat zij jarenlang eerste viool heeft gespeeld in Amsterdam Sinfoniëtta. Wellicht dat zij ook heeft gespeeld bij het concert van Ludovico Einaudi, waar ik zo ontroerd door raakte. Of dat zo was of niet, maakt eigenlijk niet uit. Het maakte voor mij de cirkel rond.

Mijn take-away? Dingen lopen zoals ze moeten lopen. Wees niet te hard voor jezelf en vertrouw erop dat je er hoe dan ook iets van leert. Dit soort ervaringen zijn geen obstakels, ze zijn juist het doel. Als je het mij vraagt, leer je om te gaan met impostor syndrome door het te ervaren en het te doorvoelen. Mocht jij schaamte voelen over soorgelijke ervaringen waarin jij je een ‘impostor’ voelde, en deze ervaringen daarom onder het tapijt schuiven, of ze zelfs ontwijken, zoals ik dat eerder ook deed, laat dit verhaal je dan motiveren om minder streng voor jezelf te zijn. Ervaar, zodat je kunt groeien, en deel jouw ervaringen zonder schaamte. Wie weet wie jij daarmee inspireert.

Als ik te streng ben voor mezelf, hoor ik dat direct terug in mijn muziek. Die klinkt dan rigide en in het gareel. In het beste geval technisch in orde, maar hoe dan ook compleet berooft van inleving. Het zijn juist die momenten waarop ik mijn oordeel loslaat en in de flow raak, waarop ik muziek componeer die mij écht raakt. Waarvan ik voel: dit ben ik. Deel je dit, hoe kwetsbaar ook, dan open je een deurtje naar jouw ziel, en laat je iemand anders dat stukje van jouw ziel ervaren. En dat is iets dat niemand van een ander kan kopiëren.